De bewapening van het fort bestond uit:
a. Artillerie
  • 4 kanonnen van 10 cM in de kazematten (voor groot flankement)
  • 2 kanonnen van 6 cM in de kazematten (voor reservevuur)
  • 4 mitrailleurs, in de kazematten (voor grachtverdediging)
  • 2 kanonnen(krupp-gruson) van 6 cM in hefkoepels (voor nabij verdediging op voor- en zijfronten)

    b. Infanterie
    Infanterievuur kon gegeven worden: van den wal naar de noordoost-, oost-, zuidoost- en zuidzijde van het fort; Uit de schietgaten in de stalen deuren en blinden van de gebouwen en de onderbouwen der hefkoepels; Uit de schietgaten in de kazematten.

    Soldaten in de kazemat Slaapruimte Frontwal

    En op de frondwal, tussen de hefkoepels, stond een wand van bielzen en geriefhout, waarachter de soldaten konden verdedigen.

    De batterij voor luchtdoelartillerie nabij het fort Nigtevecht werd gebouwd in 1927. In de jaren '50 was de situatie dermate dat de luchtdoelartillerie nogmaals geplaatst is op de plateaus uit 1927 van de niet meer in gebruik zijnde tussenbatterij, waarbij echter de gedekte weg achter de wal beschikbaar bleef voor het verkeer. Daar de stukken 1 en 2 van de batterij van 10 tl. over de tussenbatterij heen moesten vuren, kon deze derhalve niet meer gebruikt worden.
    Voor de uitleg waarom de luchtdoelartillerie geplaatst is, is een apparte pagina gemaakt. Klik hier.

    De 10 cM kanonnen in de kazematten voor groot flankement hadden een tweeledige functie, ze konden zowel het terrein tussen de forten bestrijken als de ruimte vr de naastgelegen forten en diende de troepen uit te schakelen die het fort via het voorgelegen acces naderden.

    De pantserkoepels hebben elk een dekplaat (10cM) van nikkelstaal met gehard oppervlak en een ringpantser van nikkelstaal (32cM) verenigd door een voering van vloei-ijzer in 2 platen.
    In elk pantserkoepel rust de affuit beweegbaar op een pivotzuil, die loodrecht kan worden geheven, maar niet draaibaar is; de affuit is met een tegenwicht in evenwicht gebracht.
    Draaiing van de affuit kan geschieden met een handrad of bij gebrek aan het mechanisme met een handboom.
    De toegang tot elk der hefkoepels wordt afgesloten door een stalen deur in 2 bladen, elk blad voorzien van een licht- en schietgatopening, afsluitbaar met een stalen klep.
    In de onderbouw van elke hefkoepel zijn 3 munitienissen waarin tezamen 243 ladingen kunnen worden geborgen, terwijl nog 27 ladingen voor onmiddellijk gebruik op de bergplanken aan de affuit kunnen worden gereed gelegd.

    Krupp-Gruson kanon op fort Nigtevecht.

    Hefkoepel kanon van 6 cm.
    Het beweegbaar pantser bestond uit een licht gewelfd dekpantser van gewalst, aan het buitenvlak gehard, nikkelstaal met een dikte van 10 cM. en een verticaal ringpantser van nikkelstaal met een dikte van 7,5 cM. In het ringpantser waren het schietgat en de richtsleuf uitgesneden, terwijl voorts n of meer kijkgaten waren aangebracht, die met schuive konden worden afgesloten. Het dekpantser en ringpantser waren verbonden door een, uit 2 stukken bestaande ijzeren voeringsplaat met een dikte van 2 cM. De koepel was geplaatst in een blok cementbeton, waarin de koepelruimte was uitgespaard en werd verder beschermd door een voorpantser van hartgu. Dit voorpantser bestond uit 3 delen, welke bij de aansluitingen van zijvlakken waren voorzien ten behoeve van de onderlinge verbindingen met zware (geborgde) bouten.

    .
    KruppGruson as doorsnede KruppGruson schootsvlak doorsnede

    De vuurmond sloot in vuurstelling met een mof in het schietgat. Per koepel waren er 2 schietgaten, waarvan 1 als reserve. Om bij het schieten de schok van de pantsering tegen het voorpantser te breken, was de achterzijde van de pantsering voorzien van een stootklos. Het koepellichaam bestond uit 2 aan de pantsering bevestigde zijplaten, die aan de onderkant waren verbonden door een draagstuk, dat op de koepelspil rustte. Aan de binnenzijde bevatte elke zijplaat een geleibaan voor de affuit, waarvan een gedeelte kon worden weggenomen om de affuit met het kanon uit de koepel te kunnen verwijderen. Tussen de zijplaten bevonden zich 2 patronenbakken. De bovenste patronenbak kon 9 en de onderste 17 ladingen bergen. Het kanon bestond uit het achterstuk met het sluitstuk, het tappenstuk en het mondstuk. Inwendig bestond het kanon uit het laadgat, dat was uitgesneden om het laden te vergemakkelijken, de gladde buiskamer, de getrokken projectielkamer en het getrokken voorste gedeelte met de monding. Deze delen gingen geleidelijk met overgangskegels in elkaar over.
    De voltallige bediening van een hefkoepel van 6 cM bestond uit een sergeant of een korporaal, die fungeerde als stukscommandant en tevens als koepelcommandant en 3 bedieningsmanschappen. De stukscommandant was sluitstukbediende, lader, richter en aftrekker. No 2 fungeerde als hulplader. No 3 was tempeerder en hulplader en No 4 bediende de ventilator en was telefonist. Bij geheven koepel bevond de stukscommandant zich op de voetplank, rechts van het kanon. De No 2 & 3 bevonden zich bij de ladingen en No 4 nam plaats bij de ventilator. Bij gestreken koepel bevond de stukscommandant zich buiten de koepel, stond No 2 bij het voorste trektouw, No 3 bediende de hefrichting en No 4 posteerde zich bij de telefoon.
    Het kanon verschoot de volgende munitie :

  • Gietijzeren granaten, zng ringgranaten. lengte 43 cM.
  • Granaatkartetsen vulling 88 compositie kartetskogels, lengte 39 cM.
  • Kartetsen, vulling 81 compositiekogels, lengte 43 cM.

    info : Neerlands arsenaal no. 3.
    Granaatkartets: een cilindrisch projectiel, gevuld met loden kogels, voorzien van een tijd- of tijdschokbuis in de kop en een uitdrijflading in de bodem. Als de tijdbuis goed getempeerd is, ontsteekt zij de drijflading zo'n 10 tot 20 meter boven het doelgebied en worden de kogels door middel van een stalen schijf (de 'spiegel'), na het wegdrukken van de buis, in voorwaartse richting uitwaaierend weggestoten. De snelheid van deze kogels bestaat uit de aanvankelijke projectielsnelheid, vermeerderd met de door de explosie verkregen snelheid, waardoor het doordringingsvermogen bijzonder groot is.
    Brisantgranaat: hol cilindrisch dikwandig stalen lichaam, gevuld met een 'moderne' springstof, waarvan de detonatiesnelheid zo groot is dat de granaatwand in vele kleine scherven wordt verdeeld, die een zo hoge aanvangsnetheid hebben, dat zij op vele meters afstand van het springpunt nog dodelijke verwondingen kunnen veroorzaken. Zulks in tegenstelling tot de buskruitgranaat, waarbij door de relatief trage verbrandingssnelheid van het salpeterkruit de granaatwand in slechts enkele grote scherven wordt verdeeld.