Luchtdoelartillerie Fort Nigtevecht |
|
![]() |
|
Het gedurende de Eerste Wereldoorlog tot een effectieve strijdmacht uitgegroeide luchtwapen maakte de bescherming en verdediging van belangrijke grondinstallaties als fabrieken, elektriciteitscentrales, depots etc., alsmede troepenconcentraties en wapenopstellingen noodzakelijk. Aanvankelijk werden op uiteenlopende affuitconstructies op ad-hocbasis lichte
en zware mitrailleurs en veldartilleriekanonnen gebruikt, doch allengs werden speciaal daartoe bestemde vuurmonden in mobiele, danwel statische opstellingen ingevoerd.
In Nederland werd deze ontwikkeling op de voet gevolgd: achtereenvolgens werden onder meer Schwarzlose mitrailleurs en Madsen geweermitrailleurs op uiteenlopende affuitconstructies, het marinekanon van 3,7 cm op gewijzigde sokkelaffuit, het kanon van 6 Veld en dat van 10 cm. Brons, beide op organieke, dan wel gewijzigde affuit, de kanonnen van 6 en 7 cm. Kazemat na ingrijpende wijziging van de affuitage en het Engelse kanon van 8 tl. op Berna vrachtwagen als luchtdoelwapen gebruikt.
In 1922 werden door de minister van marine voor de bescherming van de marine-etablissementen tegen luchtaanvallen 11 of 12 kanonnen van 10,5 cm. Semi-Automatisch No. 2 beschikbaar gesteld, welke aanvankelijk voor Nederlands-Indië bestemd waren geweest, doch waarvan er tijdens de Wereldoorlog vier waren gebruikt als kustgeschut op ijzeren noodbeddingen in Zeeland 1).
Medio juli 1923 waren door de marinestaf ten behoeve van de marine-etablissementen te Den Helder de volgende luchtdoelopstellingsplaatsen uitgewerkt 2):
Het ontwerp van de betonbeddingen tot het kanon van 10 cM tl.
In juli 1926 werden de ontwerpen voor de gewapend betonbeddingen voor de opstelling van de kanonnen van 10 tl. door de Inspecteur der Genie opgeleverd. De emplacementen op het
fort aan het Zwet en nabij het fort Nigtevecht moesten vanwege de bodemgesteldheid worden gefundeerd op gewapend betonpalen, terwijl de beddingen ten behoeve van de opstelling op
het fort Pampus op staal gefundeerd konden worden 13). De betonbeddingen werden echter nimmer volgens dit ontwerp uitgevoerd, daar hun constructie het laden van het kanon bij
grotere elevaties dan 45° niet toeliet, wegens het ontbreken van voldoende ruimte tussen het achterstuk van het kanon en de grond, waardoor het projectiel (patroonmunitie met een lengte
van ongeveer 1,50 meter) niet ingebracht kon worden. Het telkens na ieder schot terugbrengen van het kanon in een laadstand bracht een voor een luchtdoelvuurmond onaanvaardbare
beperking van de vuursnelheid met zich mee. Nasignalering van dit probleem door de Inspecteur der Artillerie werd in eerste instantie een verbetering gezocht door het ontwerp van
de bedding te wijzigen. Voor de definitieve oplossing van het probleem diende de affuit ingrijpend gewijzigd te worden, waartoe nog in begin juli 1925 besprekingen werden gevoerd
tussen technici van de Artillerie Inrichtingen en enkele ingenieurs van de wapenfabrikant Bofors uit Zweden 14).
Inmiddels waren er schietproeven uitgevoerd met een van de kanonnen van de batterij in Den Helder nabij het fort Nieuw Kijkduin, waaruit bleek, dat de indertijd door de Rijksgebouwendienst
voor de Koninklijke Marine ontworpen en gebouwde betonbeddingen totaal ongeschikt waren voor het opstellen van het zware luchtdoelgeschut 15).
Deze op staal gefundeerde beddingen waren uitgevoerd in gewapend beton, met een dikte van 0,26 tot 0,30 meter en rond van vorm met een doorsnede van slechts 4,60 meter 16).
Door de toepassing van een zware gietstalen stoel ter hoogte van 50 centimeter, waarop de pivot van het kanon van 10 tl. geplaatst was, ontstond de mogelijkheid ook bij grotere
elevatiestanden dan 45° te laden, waardoor een theoretische vuursnelheid van 8 schoten per minuut kon worden bereikt. Voor alle twaalf beschikbare vuurmonden werden dergelijke
stoelen eind 1926 aangeschaft. In verband met de bovenvermelde gietstalen stoelen werden de afmetingen van de ontworpen betonbeddingen in oktober 1926 aangepast 17).
De bouwkosten van drie op staal gefundeerde beddingen van gewapend beton bedroegen volgens de begroting f 10.460,-, terwijl een geraamd bedrag van f 23.560,- benodigd was voor
de uitvoering met een betonpaalfundering.
De bij de eerdervermelde schietproeven onbruikbaar bevonden beddingen van de batterij van 10 tl. in het duinterrein achter het fort Nieuw Kijkduin bij Den Helder, moesten ingevolge de
opdracht van de minister van Oorlog van 9 augustus 1928 in bruikbare staat gebracht, of desnoods geheel vernieuwd, worden 18). Uit een hiertoe ingesteld onderzoek bleek dat een
herstel van de bedoelde betonbeddingen niet mogelijk was en dat de bouw van drie nieuwe beddingen noodzakelijk was. Deze beddingen werden echter niet gebouwd volgens het bovenstaande
ontwerp van de Inspecteur der Genie van 28 oktober 1926, maar waren qua ontwerp sterk geïnspireerd op de juist met gunstig resultaat beproefde gewapend-betonbeddingen voor
het kustgeschut. In verband met de beproeving van de voor de kanonnen van 10 tl. in te voeren vuurleidingsapparatuur werd de grootste spoed met de bouw ervan betracht en werd de
uitvoering van de bouw na verkregen mondelinge machtiging van de Minister van Oorlog reeds in april 1930 ter hand genomen en kwamen de beddingen medio de maand mei daarop
volgend gereed.
Slijtageproblemen van het kanon van 10 tl.
Om de kanonnen van 10 tl. schietvaardig te maken werd in 1930, vanaf de maand mei, het vuurleidingstoestel tl. type BERKOG M IV van de firma Nedinsco in Venlo, achtereenvolgens
met de oefenvuurmond te Soesterberg en twee der vuurmonden van de batterij Den Helder beproefd. Voor wat betreft de laatste proefneming werd tevens de mogelijkheid van
een elektrische overbrenging van de schietgegevens onderzocht, waartoe zend- en ontvangapparatuur was ontwikkeld door de Commissie voor Physische Strijdmiddelen.
De resultaten waren veelbelovend: het kanon van 10 tl. had, volgens de Inspecteur der Artillerie in zijn hierop betrekkinghebbend verslag, bewezen een gemakkelijk en snel te bedienen, zeer waardevol luchtdoelkanon te zijn, waarmee - wanneer de bij Bofors bestelde oefeningsladingen met kleinere VO (mondingssnelheid) beschikbaar zouden zijn-zeer vruchtdragend kon worden geoefend, terwijl bij ernstvuur daarvan - mits een overeenstemmende vuurleiding zou zijn aangeschaft - zeer goede uitwerking was te verwachten 19). Tijdens de beproevingsvuren bleek de snelle tempering (afstandsinstelling) van de granaten een probleem, aangezien dit geheel met de hand met behulp van een tempeersleutel moest geschieden,
hetgeen een grote precisie vereiste. Indien naast het vuurleidingstoestel met elektrische overbrenging nog een elektrisch tempeertoestel kon worden ingevoerd, dan zouden de batterijen van 10 tl., volgens de Commissie, ongetwijfeld behoren tot de meest krachtige luchtafweermiddelen van dat moment.
In augustus 1933 werd een ernstige uitslijting van de loop van een der stukken van de batterij Den Helder (genummerd no. 14) geconstateerd, welke was opgetreden na het afgeven van slechts 167 schoten tijdens de diverse proefnemingen 20). De hoge gasdruk van ruim 3000 atmosfeer, waarmee de hoge VO (mondingssnelheid) van 880 meter per seconde werd
bereikt, vormde, met de optredende hoge inwendige temperaturen en de relatief slechte kwaliteit van het staal van de loop (oorlogsproduktie), de voornaamste oorzaak van de snelle uitslijting van de ziel. Hoewel een oplossing van het slijtageprobleem gevonden kon worden door een verlaging van de VO tot 750 meter per seconde, adviseerde de Luchtdoelcommissie
in geen geval hiertoe over te gaan, daar de stijgsnelheid van het projectiel dan onaanvaardbaar zou afnemen en het kanon derhalve minder goed zou voldoen als luchtdoelkanon. De aankoop per kanon van één of twee reservelopen van een betere kwaliteit staal werd derhalve door de Commissie in eerste instantie aanbevolen. Tijdens een bespreking ten burele van de Inspecteur der Artillerie op 16 oktober 1933, welke aan het probleem van de optredende extreme loopslijtage gewijd was, waaraan onder meer deelnamen de Directeur Materieel
Landmacht en leden/vertegenwoordigers van de Artillerie-Inrichtingen, de Commissie van Proefneming en de Luchtdoelcommissie, werden drie mogelijke oplossingsrichtingen geformuleerd 21):
Operationele inzet van de batterij van 10 tl.
Gedurende de mobilisatie en de meidagen van 1940 was de batterij van 10 tl. nabij fort Nieuw Kijkduin operationeel en maakte onder bevel van de reserve Eerste Luitenant der Artillerie J. W. A. Oosterbaan als 101e Batterij Luchtdoelartillerie deel uit van de Luchtverdedigingsgroep Den Helder. Voor nabijverdediging waren aan de batterij twee luchtdoelmitrailleurs M.25 Spandau toegevoegd.
In de meidagen bleek spoedig de beschikbare munitievoorraad van 10 tl. totaal onvoldoende, zodat reeds op 12 mei uitdrukkelijk door de Commandant van de Luchtverdedigingsgroep werd bevolen een uiterste zuinigheid in het munitieverbruik te betrachten. Vooral tegen hoogvliegende vliegtuigen is de batterij met succes ingezet. In de morgenuren van 14 mei veroorzaakte een ontijdig springende granaat de dood van de dienstplichtige soldaat Geert Wijchers uit Hoogezand. Voor het overige had de batterij gelukkig geen verliezen aan doden of gewonden te betreuren.
Tijdens het operationeel gebruik bleek de werking van het ingedeelde vuurleidingstoestel en het elektrische overbrengingssysteem der vuurleidingsgegevens totaal onvoldoende. De benodigde gegevens werden toen van de hoogtemeter en de grafische schootstafel langs telefonische weg overgebracht en moesten de stukscommandanten zelf de zijdelingse richting bepalen. Vanwege de indertijd genomen beslissing geen tempeertoestellen aan te schaffen, moest ook de tempering nog met de hand geschieden. Dat de batterij ondanks deze handicaps toch nog vrij goed schoot en successen heeft geboekt was eigenlijk in hoofdzaak te danken aan de energie en de goede geest van het batterijpersoneel. Na de capitulatie vernam men uit de mond van Duitse vliegers, dat de batterij na de 10e mei bij hen bekend stond als de `Luftbesen' (luchtbezem) 25).
Bij toepassing van een modernere vuurleiding, beter onderhouden munitie etc., zou het resultaat van de inzet van de batterij ongetwijfeld nog beter geweest zijn, zodat de in de dertiger jaren verkregen bezuiniging van slechts enkele tienduizenden guldens ten koste is gegaan van de effectiviteit van het materieel. Na de capitulatie is het materieel van de batterij door de Duitsers verschroot.
Noten
1) AHK Secr. GG 39, bundel 290: Minister van Marine aan Minister van Oorlog dd. 10 januari 1922 Afd. S/D/B 2e Bureau no. 16 A Geheim.
2) AHK Secr. GG 59, bundel 1320: Chef van de Marinestaf aan de Chef van de Generale Staf dd. 7 juli 1923 no. 3/1/11.
3) -
4) AHK Secr. GG 60, bundel 417: Gen. St. II beknopt verslag van de bespreking over de luchtverdediging op 26 januari 1925.
5) Minister van Oorlog aan Chef Generale Staf dd. 4 mei 1925 Geheim litt. Z 36.
6) AHK Secr. GG 60, bundel 260: Minister van Oorlog aan de Commandant in het 2e Geniecommandement dd. 29 november 1927 G. litt. A 92.
7) AHK Secr. GG 60, bundel 260: Inspecteur der Genie aan Chef Generale Staf dd. 20 november 1926 no. 2787 G.
8) AHK Secr. GG 60, bundel 59: Inspecteur der Artillerie aan de Chef Generale Staf door tussenkomst van de Inspecteur der Genie en de Commandant van de Vesting Holland dd. 31 december 1925 no. 8295 Geheim.
9) AHK Secr. GG 60, bundel 59: Minuut Chef Generale Staf aan Inspecteur der Artillerie, in afschrift aan de Inspecteur der Genie en de Commandant van de Vesting Holland, dd. 24 februari 1926 no. 59 Geheim en Minister van Oorlog aan Chef Generale Staf, Commandant van de Vesting Holland, de Inspecteur der Genie, Inspecteur der Artillerie en Commandant in het 2e Geniecommandement dd. 8 maart 1926 Geheim litt. T 20.
10) Commandant van de Vesting Holland aan de Commandant van het Korps Luchtdoelartillerie door tussenkomst van de Chef Generale Staf en de Inspecteur der Artillerie dd. 3 november 1926 Sectie I no. 1741 Geheim.
11) Idem.
12) AHK Secr. GG 60, bundel 59: Inspecteur der Artillerie aan Chef Generale Staf, in afschrift aan Inspecteur der Genie, Commandant van de Vesting Holland dd. 22 november 1926 no. 7607 Geheim.
13) AHK Secr. GG 60, bundel 59: Inspecteur der Genie aan de Commandant in het 2e Geniecommandement dd. 7 juli 1926 no. 1633 Geheim.
14) AHK Secr. GG60, bundel 59: Inspecteur der Artillerie onderschrift dd. 14 ju1i 1926 no. 4834 Geheim.
15) AHK Secr. GG 60, stuk 1309: Inspecteur der Genie aan Chef Generale Staf en Commandant van de Stelling Helder, Inspecteur der Artillerie dd. 9 april 1930.
16) Volgens opmeting van het enige nog resterende exemplaar in Den Helder. Er kon echter niet worden vastgesteld of zich ter hoogte van de ingebetonneerde pivotvoetplaat en verdikking aan de onderzijde van de bedding bevindt.
17) AHK Secr. GG 60, Bundel 59: Nota van Toelichting, bijlage bij brief Inspecteur der Genie aan de Chef Generale Staf dd 28 oktober 1926 no. 2566 Geheim.
18) AHK Secr. GG 60 stuk 1309: Inspecteur der Genie aan Chef Generale Staf, Commandant van de Stelling van Den Helder, Inspecteur der Artillerie dd. 9 april 1930 no. 1536 Geheim.
19) AHK Secr. GG 61, bundel 255: Inspecteur der Artillerie aan de Minister van Defensie, in afschrift aan de Commandant Veldleger, Chef Generale Staf, Directeur Materieel Landmacht, Directie der Artillerie-Inrichtingen dd. 17 januari 1931 no. 294 G.
20) AHK Secr. GG 61, bundel 3219: Directeur Materieel Landmacht aan de Minister van Defensie dd. 10 augustus 1933 no. 4944 A.
21) AHK Secr. GG 61, bundel 77: Verslag der bespreking ten burele van de Inspecteur der Artillerie op 16 oktober 1933.
22) AHK Secr. GG 61, bundel 77: Minister van Defensie aan Chef Generale Staf, Inspecteur der Artillerie, Directeur Materieel Landmacht, Directie der Artillerie-Inrichtingen, in afschrift aan Commandant van de Vesting Holland, Voorzitter van de Commissie van Proefneming, Voorzitter van de Luchtdoelcommissie, dd. 26 februari 1934 Geheim litt. A 31.
23) AHK Secr. GG 61, bundel 1481: Inspecteur der Artillerie aan de Minister van Defensie door tussenkomst van Chef Generale Staf, in afschrift aan Directeur Materieel Landmacht, Directie der Artillerie-Inrichtingen en Voorzitter van de Luchtdoelcommissie, dd. 3 april 1935 no. 103 G.
24) AHK Secr. GG 61, bundel 1481: Minister van Defensie aan Chef Generale Staf, Commandant Veldleger, Inspecteur der Artillerie, Directeur Materieel Landmacht, Directie der Artillerie-Inrichtingen, dd. 30 november 1935 Geheim litt. Q 203.
25) Molenaar, F. J. De Luchtverdediging in de Meidagen 1940, 's-Gravenhage 1970, deel II,bladzijde 742, 743.
Bron: archiefmateriaal: CAD
![]() | WINTERS GESCHUT (Grebbelinie, 1939) Opstelling van een geschut - 10 veld - onder camouflage, deels ingegraven. Van de geschutsbemanning zijn drie man te zien (zoek de derde!). De soldaat links op de foto draagt een bivakmuts tegen de sneeuwkou. Het geschut was 4,2 meter lang, 1183 kg zwaar en werd getrokken door een Fordson trekker. Het werd gemaakt door de fabrikant Bofors. Officieel werd het aangeduid als kanon van 10 Veld, maar daarnaast ook als kanon van 10, kanon 10L30, 10L30 koepel, 10TL en 10 snelvuur. | |||||||
naar Startpagina | naar Nigtevecht. | naar Genealogie. |
naar Familie informatie. | naar V.O.C schip Nigtevecht. | naarNed. Hervormde kerk. |
naar De Brandspuit. | naar Oer Kano IJzertijd. | naar Tolrecht uit krantje 1923 |