Borg Viking museum

  • A : Cafe, entree, winkel.
  • B : Gereconstrueerd hoofdmanshuis, dat in het bewoningsgebied uit de late ijzertijd ( de vikingtijd) ligt. Hier zijn resten van 5 huizen, 6 grafheuvels en een afvalhoop gevonden.
  • C : Bewoningsgebied vanaf de middeleeuwen tot +/- 1930. Resten van verscheidene huizen uit de periode ijzertijd/vroege middeleeuwen en een grafheuvel. RuÏnes van een pastorie uit de periode middeleeuwen tot 1930 liggen in het uitsrste noorden van dit gebied.
  • D : De pastorie van 1930-heden. Hier bevind zich de administratie van het museum. In de stal is een landbouwtentoonstelling.
  • E : Het kerkgebied uit de middeleeuwen. Hier stond volgens schriftelijke bronnen een kerk sinds 1335. Hier bevind zich de huidige kerk, naast resten van 3 mogelijke oudere kerken. Verder vindt men hier een middeleeuws christelijk kerkhof met stenen muur en 2 grafheuvels uit de ijzertijd.
  • F : Gereconstrueerde smederij uit de ijzertijd. Resten van 2 huizen uit de middeleeuwen en 7 houtskool geulen liggen aan de monding van de Borg-rivier.
  • G : Reconstructie van een vikingschip(het Gokstadschip) en een gereconstrueerd boothuis uit de ijzertijd (uit Rennesøy in Rogaland).
  • H : Resten van boothuizen. 1 uit de middeleeuwen en 4 uit de ijzertijd. Het grootste is ca. 25 meter lang.
  • 1 : 15 grafheuvels uit de vroege ijzertijd.
  • 2 : Bewoningsgebied vanaf het steentijd tot de middeeleeuwen. Pollenanalyse duiden op verbouwen van gerst en de aanleg van weiden voor landbouwhuisdieren al vanaf 2200 v Chr.
  • 3 : Kazerne (voor de manschappen van de hoofdman en de scheepsbemanning) uit 200 na Chr.
  • 4 : 3 resten van boothuizen uit de ijzertijd die bij de Rystadhoeve hoorden.

    Klik op het plaatje.

    Borg Viking museum

    Saltstraumen


    Ringebu Staafkerkje

    Vanaf ca. het jaar 1000 werd het christelijke geloof in Noorwegen ingevoerd. In de eeuwen daarna tot aan de reformatie in 1537 verrezen er zo'n 1000 houten staafkerken in dit land. De kerken waren toen katholiek. De staafkerk van Ringebu is rond 1220 gebouwd. Het is één van de 28 staafkerken die bewaard zijn gebleven en het is daar één van de grootste van.

    Staafkerken zijn onvervangbare cultuur monumenten en slechts in Noorwegen zijn er zo veel overgebleven. Het kenmerk van een staafkerk is dat de constructie bestaat uit ronde houten hoekstijlen/kolommen (de zng "staven") met daartussenin planken wanden die op horizontale balken (liggers) rusten. Zo'n wand wordt een staafwand ("stavvegg") genoemd. In zo'n constructie zijn nergens spijkers te vinden, allse is in elkaar gezet d.m.v pen-en-gat verbindingen.

    Boven in het schip verstevigen Andreaskruizen en bogen het geheel.

    Slechts het schip is bewaard gebleven van de oorspronkelijke staafkerk. De kerk heeft ook kolommen in de ruimte tussen de hoekkolommen.(zie tekening).

    In de katholieke periode zag de kerk er enigzins anders uit, met een omloop rond de kerk en met een absis.

    In de oude staafkerken waren oorspronkelijk geen ramen, slechts kleine openingen hoog boven in. Langs de wanden waren banken voor oude en gebrekkige mensen. De rest van de kerkgemeente moest tijdens de mis staan.

    Van de inventaris is een houten beeld van St. Laurentius ("St. Lars" in het Noors) bewaard gebleven uit ca. 1250. Dit beeld staat links van de doorgang naar het koor. Op de dag van zijn overlijden, 10 augustus, werd "Larsok" gevierd.

    Twee crucifixen stammen uit de 14e eeuw.

    De staafkerken werden gebouwd in een overgangstijd tussen het heidense en het christelijke geloof. Misschien dat de maskers die hoog op de kolommen onder het dak uitgesneden en beschilderd zijn, heidense goden voorstellen. Er zijn ook twee runeninscripties, twee dierfiguren en een menselijk figuur ontdekt, allemaal in de wanden van het schip gekrast.

    Noorwegen en Denemarken vormden vanaf 1380 één unie en de Lutherse reformatie werd in 1537 doorgevoerd. Na de reformatie werd de kerk in 1630 verbouwd door archtekt/timmerman Werner Olsen. De kerk kreeg zijn karakterestieke rode toren in 1631. De omloop rond de kerk, de zijvleugels en de absis werden afgebroken en het plafond werd verlaagd.

    In 1717 werd de kerk voor het eerst geverfd en omdat het plafond toen lager lag, werd slechts het onderste deel van de wanden beschilderd. Eens was de kerk helemaal wit, maar bij de grootscheepse restauratie van 1921 werd het interieur geheel in oorspronkelijke kleurstelling teruggebracht.

    In 1980-1981 werd er een archeologisch bodemonderzoek gedaan onder de vloer van de kerk. Er werden toen o.a. ca. 900 munten gevonden. Deze munten zijn waarschijnlijk onder de vloer beland doordat ze of geofferd of verloren zijn. Een groot gedeelte van deze munten werd in het zuidelijke gedeelte van de kerk gevonden, waar de mannen plachten te zitten. Het merendeel van deze munten zijn middeleeuwse munten, speciaal uit de tijd toen Håkon Håkonson regeerde (1217-1263).

    Er werden ook gaten in de grond gevonden, waar palen in gestaan hadden van een oudere kerk uit de 12e eeuw op de zelfde plek. Zulke kerken met palen, die direkt in de grond stonden, waren voorgangers van de staafkerken. Deze palen verrotten snel en zulke kerken hielden het niet langer uit dan ca. 100 jaar.

    Van deze palen kerk is de doopvont van speksteen bewaard gebleven. De oorspronkelijke plaats van de doopvont was achter in de noordwestelijke hoek van het schip.

    De omlijsting rond de ingangsdeur van de kerk met het prachtige houtsnijwerk vol slangen en draken wordt door kunsthistorici gedateerd als behorende tot de 13e eeuw. Dit monumentale houtsnijwerk werd helaas verminkt in de jaren twintig van de negentiende eeuw als gevolg van een voorschrift om breedere en naar buiten slaande deuren in kerken te maken, nadat er bij een kerkbrand in 1822 elders (in Grue) 113 mensen omgekomen waren.

    De deuren waren erg smal omdat men de kerk alléén zou betreden zonder kwade geesten mee te nemen. Drakekoppen op het dak hadden dezelfde funktie - het weghouden van kwade geesten.

    Bij archeologisch onderzoek werden er onder de vloer van het schip en het dwarsschip grafkisten gevonden, van hoofdzakelijk dominees en hun familieleden. Maar ook andere personen werden geëerd met een graf in de kerk. "Baronesse" Sophie Amalie Rosenkrantz van baronie Rosendal gaf meerdere voorwerpen aan de kerk en ligt begraven onder de kerk.

    De Duitsen Poul Friedrich von Dresky was opperofficier in het Opplandse regiment en ook hij had een plaats verdiend. Bovendien kreeg hij een epitaaf aan de wand van de kerk. Het epitaaf dat in het koor hangt, is ter herrinnering aan dominee Christoffer Kraft († 1754) en zijn gezin. Dominee Sigwart Friis († 1789) bekostigde zijn eigen gedenkbord in het schip in 1787.

    Tot aan de reformatie in 1537 onderging de kerk weinig veranderingen. Daarna kregen de versieringen in de kerk een meer barokke uitdrukking met pompeus houtsnijwerk. Het monogram van Koning Frederik IV boven de doorgang van het koor vinden we ook in andere kerken in Gudbrandsdalen. In Ringbru is het in 1703 gemaakt, net als de preekstoel.

    Het altaarstuk werd in 1686 gemaakt door Johannes Lauritsen Skraastad. De grote kaarsenkroon aan het plavond werd in het einde van de 18e eeuw gesneden door Kristen Listad "de Bloemenmeester uit Ringebu".

    De kerk kreek een nieuw orgel in 1982, in Zweden gemaakt, en zo goed mogelijk aangepast aan het interieur uit de 17e eeuw. Het akuntus-houtsnijwerk, het vergulsel en de beschilderingen zijn uitgevoerd door Johan Amud uit Fåvang († 1997).

    StLaurentius

  • Link naar Ringebu Staafkerkje